Vanwege het coronavirus werken onze medewerkers thuis.
N.B. Het kan zijn dat elementen ontbreken aan deze printversie.
Bestrijdingsmiddelen Bloembollentelers gebruiken veel gif. In Drenthe, waar veel lelies worden geteeld, kijken ze of het anders kan.
Rijen groene stengels in bakken aarde staan onder gele tl-lampen, te wachten tot lelies uit hun knoppen groeien. Even verderop loopt een man in witte labjas druk heen en weer met reageerbuizen in zijn hand. Hij valt in het niet tussen de kasten en machines. „De leliebollen in dit lab groeien prima, ook al worden er amper nog bestrijdingsmiddelen gebruikt”, zegt leliebollenteler Gert Veninga in het laboratorium in Westerveld.
Bloembollen in de Nederlandse bloemenstreken gaan bijna in bloei, eerst de voorjaarsbloeiers als tulpen en daarna lelies. In het Drenthse Westerveld worden niet de lelies zelf gewonnen, maar de bollen. Tegen die teelt is de weerstand afgelopen jaren toegenomen.
Omwonenden van de leliebollenvelden in Drenthe willen dat het bestrijdingsmiddelengebruik wordt teruggedrongen, omdat ze zich zorgen maken om hun gezondheid en om het milieu. Nederland is de grootste bloembollenproducent van de wereld. Sinds begin deze eeuw is de leliebollenteelt toegenomen in Drenthe. In een onderzoek uit 2019, geïnitieerd door omwonenden, werden 57 soorten bestrijdingsmiddelen in de bodem gevonden waar bloembollen werden geoogst, waarvan sommige zeer giftig. Leliebollen spanden de kroon. Daarvoor worden veel middelen gebruikt en lelies maken een belangrijk deel uit van de bollenteelt in gemeente Westerveld. Bij geen enkel ander gewas in Nederland worden zoveel beschermingsmiddelen per hectare gebruikt: 114 kg. Bij tulpen in de open grond is dat 26 kg. Bij pootaardappelen 24 kg.
Voor leliebollen geldt: ze moeten vollédig vrij zijn van virussen, schimmels en aaltjes
Maar leliebollentelers komen niet makkelijk van de middelen af, volgens Veninga. „Het is niet zo dat lelies meer middelen nodig hebben dan bijvoorbeeld aardappels, maar voor leliebollen geldt vaak de zogenoemde nul-norm. Ze moeten vollédig vrij zijn van virussen, schimmels en aaltjes. „Anders komen ze gewoon het exportland niet in. Vooral Azië en Amerika is streng. De buren willen minder pesticiden, maar om aan de exporteisen te voldoen zijn middelen nodig tijdens de teelt. We zitten in een tweestrijd.”
Daarom doen onderzoekers hier in het Hilbrands Laboratorium, midden in de Drentse velden, lab- en veldproeven waarbij leliebollen worden geteeld die wél aan de strenge exporteisen voldoen, maar met zo min mogelijk bestrijdingsmiddelen, die bovendien duurzaam moeten zijn. De proeven worden komend seizoen grootschalig toegepast op de percelen van tien telers in Drenthe, onder begeleiding van het lab.
In een kas van het lab klinkt het geluid van regendruppels die tegen het glas kletteren – binnen is het broeierig. Janny Peltjes van het laboratorium en projectleider: „Telers stoppen kleine bollen in de bodem en laten ze groeien tot ze groot genoeg zijn voor export. Meestal kost dat een jaar, soms twee. Hier in het lab experimenten we onder meer met verschillende voedingsstoffen, om te kijken hoe de bollen zo sterk mogelijk worden. Dan zijn ze tijdens het groeien minder kwetsbaar voor kwaaltjes en zijn er minder bestrijdingsmiddelen nodig.”
Ook zijn er minder bestrijdingsmiddelen nodig als je resistentere leliesoorten kweekt, volgens Peltjes. „Hier staan de Oriëntals en dat daar zijn de Aziatische leliebollen”, zegt de projectleider terwijl ze naar twee lange rijen stengels wijst. „Die soorten bestaan weer uit subsoorten. De een is bijvoorbeeld gevoeliger voor schimmels, maar veel minder voor virussen. We onderzoeken of zo’n variant dan met alléén bestrijdingsmiddelen tegen schimmels toe kan, zonder middelen tegen virussen.”
De teler knikt instemmend. „En je kunt de bestrijdingsmiddelen ook afstemmen op het weer”, zegt hij. „In jaren waarin het veel regent, is er een grotere kans op een schimmel. Vooral de Botrytis, ook wel vuur genoemd, is een gevreesde schimmel. Hij veroorzaakt oranjebruine vlekken op bladeren en de plant sterft vroegtijdig af.”
In het lab testen onderzoekers ook bestrijdingsmiddelen die minder belastend zijn voor het milieu. Ze kijken hoe schadelijk een middel is voor bodemwater, oppervlaktewater en wat het risico is voor nuttige bodem organismen.
„We testen milieuvriendelijke manieren om bladluizen die virussen overbrengen buiten de deur te houden, zoals het spuiten van blauwe kleurstof”, zegt Peltjes. „Bladluizen hebben een hekel aan blauw. De kleurstof zelf is niet schadelijk voor het milieu. Hoogstens groeien de lelies er minder efficiënt door.”
Veninga: „Ja, lelies groeien uit hun knoppen, doordat de bladeren aan de stengels zonlicht opnemen. Dat doen ze met groen chlorofyl. Blauwe kleurstof kan het chlorofyl verstoren.”
Een andere methode tegen virussen overgebracht door luizen, is het bespuiten van de bladeren aan de stengels met minerale olie. Het geeft een vettig laagje. Peltjes: „Wanneer de luis in het blad prikt, veegt de olie de snuit van de luis schoon. Deze methode is weinig belastend voor het milieu en wordt ook toegepast in de biologische landbouw.
„Maar”, reageert Veninga, „niet alle duurzame bestrijdingsmiddelen werken even goed hoor.” Hij loopt naar de rij stelen die met olie ingesmeerd zijn. „Kijk, deze steel heeft mooie groene bladeren. Die van de buurvrouw niet. Bij haar zitten er lichtgroene strepen op. Dat is een indicatie dat ze tóch een virus opgelopen heeft.”
Peltjes en Veninga lopen via een hal de deur door naar een moleculair lab. Het is een witte kamer met computers en machines. Peltjes: „Soms zie je ziektes niet met het blote oog.” Een laborant knikt: „Hier controleren we lelies op ziekten met dezelfde soort pcr-testen als die bij corona gebruikt worden”, zegt de laborant, terwijl ze een petrischaal in de scanner legt. „We nemen een stukje dna van de leliebol en analyseren het met een pcr-apparaat. Die scant het dna en vertaalt de scan naar een grafiek. Daarop kunnen we zien of er virussen in het dna van de bol zitten en ook hoeveel.”
De experimenten die onderzoekers hier in het lab en op de velden doen, worden komend seizoen grootschalig toegepast op de percelen van tien lelietelers in Drenthe. De percelen variëren tussen de 10 bij 10 meter tot 100 bij 100 meter. „Het is niet zo dat de kosten van eventuele schade worden verdeeld, mocht de oogst mislukken”, zegt de Teler. „Maar we krijgen kennis van het lab en de telers delen onderling de resultaten. Zo hoef ik niet alles zelf uit te vinden en versnelt de transitie naar duurzame lelieteelt.” De experimenten worden gemonitord door het lab.
In de hal stoppen Peltjes en Veninga bij een grote witte kast met daarin plastic zakjes gevuld met aarde. Peltjes: „We zijn al begonnen met het nemen van bodemmonsters van de percelen om die te controleren op aanwezige voedingsstoffen en aaltjes, zodat telers op tijd kunnen ingrijpen. Veninga: „Een goede bodem is een goed begin.”
Verderop in de hal is een groot vierkant raam. Aan de andere kant van het raam zitten twee vrouwen met labjas in een afgesloten ruimte. Ze kijken geconcentreerd door een microscoop. Peltjes: „Zij tellen, in het quarantainelab, hoeveel soorten aaltjes er in een bodemmonster zitten. Die zijn niet te zien met het blote oog. Met een petrischaal, microscoop, ledlamp en telapparaat kunnen zij vijftig soorten aaltjes onderscheiden. In heel Nederland zijn er ongeveer honderd laboranten die dit kunnen.”
Veringa: „En als zij nu zorgwekkend veel aaltjes in mijn bodemmonster zien, zorg ik dat ik afrikaantjes plant vóór ik leliebollen teel. Aaltjes zijn funest voor leliebollen. Afrikaantjes zijn planten die stoffen afgeven aan de bodem die giftig zijn voor aaltjes. Het is een milieuvriendelijke manier om aaltjes te bestrijden.”
Veringa en Peltjes lopen naar de vergaderkamer van het lab. Peltjes zet koffie op tafel. Voor het project is zo’n 1,2 miljoen euro beschikbaar gesteld. Daarvan wordt 60 procent door de overheid betaald, de rest komt van de sector en de deelnemende telers. „Sommige uitkomsten zijn ook toepasbaar op andere bolgewassen als tulpen, bijvoorbeeld de manieren om bladluizen te weren”, zegt Peltjes.” Het project is ook bedoeld om aan omwonenden te laten zien hoe telers werken aan duurzame bloementeelt.
Veninga: „Een deel is bewustzijn creëren bij de consument. Het lukte mij twee jaar geleden leliebollen te oogsten van een bepaald ras die onder de omstandigheden toen geen bestrijdingsmiddelen nodig hadden. Maar van de supermarkten in zowel Nederland als Engeland was er geen enkele belangstelling. Stel, ik kan in een bepaald jaar rode lelies op een duurzame manier telen, dan zul je zien dat consumenten met Pasen juist gele willen. Wij kunnen met dit project wel met duurzame lelieteelt komen, maar dan moet de markt ook meebewegen.”
Heeft u een tip over dit onderwerp, ziet u een spelfout of feitelijke onjuistheid? We stellen het zeer op prijs als u ons daarover een bericht stuurt. U kunt ons ook anoniem een tip geven.