Eén vogeltje vloog uit, moeder in de stress

2022-03-03 06:09:29 By : Mr. Nemo Chan

Als de oudste zoon van Esther Goedegebuure uitvliegt, krijgt ze gierende heimwee naar dat joch. Hoewel haar nest ook na zijn vertrek nog goedgevuld is, dendert het legenestsyndroom in volle vaart bij haar binnen.

Als de oudste zoon van Esther Goedegebuure uitvliegt, krijgt ze gierende heimwee naar dat joch. Hoewel haar nest ook na zijn vertrek nog goedgevuld is, dendert het legenestsyndroom in volle vaart bij haar binnen.

Het is de derde keer in bijna anderhalf jaar tijd dat ik op bezoek ben in het studentenhuis van mijn zoon, een complex van geschakelde betonnen bunkers uit de jaren vijftig, waar hij dolgelukkig is. Vermoedelijk heb ik mijn pokerface nog steeds niet onder controle, want als we door de lange gang richting zijn kamer lopen, moet ik mijn ogen bijna terugduwen in hun kassen. Ik scan de gescheurde pin-upposters aan de muur (er wonen hier ook meisjes), de plakkerige vloer in de keuken, de haren in het putje van de openstaande badkamer. We struikelen over nooit teruggebrachte Jumbo-boodschappenmandjes volgepropt met was, vies of schoon, dat is niet helemaal duidelijk. De geur van overvloedig gebruikte wasverzachter (‘uit de aanbieding, mam, vijf flessen voor maar 10 euro!’) komt uit het hok drijven waar twee grote machines staan te draaien. Het verdoezelt de walm van verschaald bier die uit de opgestapelde kratten opstijgt. Boven alle deuren van de vijftien kamers zie ik rijen afgetrapte schoenen van ingedroogd leer geklemd tussen de verwarmingsbuizen. Handig hè? Hoef je niet in de stank te slapen, legt onze zoon stralend uit.

Nu hij officieel huisjongste af is, heeft hij een vaste kamer. Hier mag hij de komende jaren blijven en dus wil hij er ‘iets van maken’. Dat betekent dat zijn kleren, die dat hele eerste jaar gewoon in een opengeslagen koffer naast zijn matras op de grond hebben gelegen, nu in het brocante kastje komen te hangen dat wij vanavond komen brengen. De nieuwe kamer is, net als alle andere in het huis, een soort cel, met een bed en een bureau en een paar spijkers in de muur. Aan een daarvan hangen wij met enige twijfel de 19de-eeuwse gravure van zijn geboortestad, cadeautje van zijn grootmoeder dat we op zijn verzoek hebben meegenomen. Er zijn geen gordijnen, maar dat vindt onze zoon wel chill; dan staat-ie tenminste op als het buiten licht wordt.

Nog voor hij daadwerkelijk was uitgevlogen, peilde ik weleens bij vriendinnen met oudere kinderen hoe zij dat hadden ervaren, zo’n leeg nest. Vaak kreeg ik zo’n sussende, wat laconieke reactie. ‘Ze komen in het weekend terug met een tas vieze was hoor, of voor een gezonde maaltijd van huns mams’. Nou, die van ons niet. Die waste vanaf de eerste week zelf, met wasverzachter uit de aanbieding. Ook koken doen ze daar in de betonnen bunker uitstekend, hij en zijn veertien huisgenoten, ontzettende leuke jongens en meisjes die hem hebben opgenomen als een nieuw gezinslid. Ze vormen samen zijn nieuwe familie. Niet dat hij niet meer een van ons is; de liefde is er nog, maar we hebben een langeafstandsrelatie waarbij, eerlijk is eerlijk, wij net iets liever willen dan hij.

Natuurlijk was het een oppepper om te merken hoe hij vanaf het begin genoot van zijn nieuwe, eigen leven. Van zijn zelfstandigheid en vrijheid. We hingen aan zijn lippen als hij vertelde over alle gekkigheid waarmee hij en zijn nieuwe vrienden zich vermaakten. Als we hem spraken. Hij belde nooit terug, onze whatsappjes vertoonden niet eens blauwe vinkjes. Eens in de drie weken kwam hij eten, heel soms bleef hij slapen, als hij aansluitend met zijn oude middelbareschoolvrienden kon afspreken tenminste. Hij was helemaal kopje-onder gegaan in de studentenstad, die een oceaan van ons verwijderd leek.

‘Het is een rare relatie met kinderen die opgroeien. Dat je eigenlijk van de intimiteit naar de verwijdering gaat en dat je daar nog blij mee moet zijn ook.’ Het zijn de woorden van Anna Enquist, in een interview in NRC Handelsblad, over missen, altijd al een thema in haar werk. Ook voordat haar dochter op 27-jarige leeftijd door een ongeluk om het leven kwam, schreef ze gedichten over de pijn van loslaten toen haar kinderen het huis uit gingen. ‘Ik voel dat nu ook wel een beetje met de kleinkinderen, dat die heel gezellige tijd dat ze peutertjes en kleutertjes zijn nu achter me komt te liggen’, vervolgt Enquist. ‘Dan kun je zeggen: je kunt nu betere gesprekken met ze voeren, maar ik vind die gesprekken als ze net zo’n beetje de taal aan het leren zijn eigenlijk heel erg leuk. Dat is net zoiets, dat je die verwijdering dan moet toejuichen.’

Ik lees het interview de eerste winter nadat hij is vertrokken en de woorden geven bestaansrecht aan mijn gevoel. Precies dat was het; iedereen en ikzelf niet in de laatste plaats vond dat ik de verwijdering moest toejuichen. Natuurlijk was ik dolblij dat hij zelfstandig en onafhankelijk genoeg was om zijn vleugels uit te slaan. Het was fantastisch dat hij door die veeleisende selectieprocedure van die moeilijke studie was gekomen. Belachelijk trots was ik op hem. Ook toen hij geen enkele discipline bleek te bezitten om vanwege De Maatregelen de colleges van die moeilijke studie via een computerscherm vanuit dat brakke studentenhuis te volgen. Toen was ik weer belachelijk trots op hem dat hij blijkbaar sociaal vaardig genoeg was om in een mum van tijd twee handen vol vrienden te maken. Opgelucht waren we, dat hij niet ergens moederziel alleen op een kamertje zat te verpieteren, zoals je zo vaak in de krant las. Of erger, bij ons thuis hele dagen in bed had liggen rotten. Alle herinneringen aan onze eigen studententijd kwamen bovendrijven en we wisten precies hoe geweldig het daar moest zijn. Natuurlijk genoten we daarvan. We waren ook een beetje trots op onszelf. Het was ons gelukt hem zo af te leveren dat hij de toekomst in wilde duiken. Hij was precies goed afgebakken: klaar voor avontuur, vol goeie zin om zijn eigen weg uit te stippelen. Niet onzeker, niet twijfelend, hij durfde. Alsof we hem weg zagen fietsen zonder zijwieltjes. Hoera, hij kan het!

Maar ik miste hem zo. Ik snakte ernaar de was te doen of ’s ochtends een smoothie met banaan en bosbessen te maken, zoals ik dat de afgelopen jaren iedere dag van de week had gedaan. Ik verlangde naar dat gestrekte lange lijf op de bank, waar glazen melk gevaarlijk op de rand balanceerden, waar de tostikorsten tussen de kussens te vinden waren. Ik wilde die zes natte handdoeken die gewoonlijk in zijn kamer rondslingerden oprapen en – beloofd – ik zou dan niet mopperen. Ik wilde stiekem in zijn bureaula snuffelen om te kijken of ik er zakjes wiet vond. Maar in zijn kamer was geen wiet, geen peuk, geen condoom, geen verstopte fles van wat dan ook, geen enkel alarmerend signaal van een te wild leven te vinden. Zijn kamer was akelig opgeruimd, zijn bed bleef zo onnatuurlijk strak opgemaakt en onbeslapen dat ik als ik langsliep niet meer echt naar binnen durfde te kijken. Ik had gierende heimwee naar dat joch en – dat was het ergste – het werd gestut door het besef dat hij nooit meer bij me in huis zou komen wonen.

Dit neerslachtige gevoel, de knagende onzekerheid of ik er echt wel genoeg van had genoten toen hij nog van mij was, was dus lijden aan het legenestsyndroom. Zoals een mens ook niet opknapt van googlen op symptomen van mogelijke enge ziekten, kan ik nu zeggen: doe dat ook maar niet met de zoekterm ‘leeg nest’. Ik las niets dat me troostte. ‘Het uitvliegen van kinderen kan leiden tot een serieuze depressie en gepaard gaan met eenzaamheid, spanning met de partner en gevoelens van nutteloosheid.’ ‘Wie niet meer weet wat met de tijd te doen, neemt een hobby, een hond of meldt zich aan als vrijwilliger in een bejaardentehuis.’ Ik lieg niet, dit soort dingen lees je.

Het sneuste van dit alles was dat ik helemaal geen leeg nest had. Sterker, ik had nog twee heel leuke, lieve vogeltjes in het mandje. Een tweede zoon die eindexamen deed en een dochter die pas in de derde klas zat. Waar deed ik in godsnaam moeilijk over? Behalve dat ik misselijk van mezelf werd – ik ging huilen als ik naar zijn playlist luisterde, dat werk – was het niet bepaald etalagemateriaal, dat gemier van mij, dat ook nog eens veel te lang aanhield. Zijn vader had die eerste dagen na het vertrek wat verslagen door het huis gedwaald, maar wat extra werk en een flinke duik achter zijn computer brachten hem algauw weer in zijn oude evenwicht. De andere twee vogeltjes misten hun grote broer beslist. O ja, ze vonden er niks meer aan, aan tafel. Wat sáái was alles zonder de oudste. Maar na een maandje hoorde ik ze nergens meer over en nog een paar weken later had de dochter het grote voordeel ervan ingezien: ze kon zijn kamer betrekken. Iets wat ik beslist had tegengehouden, ‘want V. moest zich te allen tijde welkom voelen om thuis te komen en in zijn eigen vertrouwde kamer te slapen.’ Maar V. had geen enkele binding met zijn kamer, wist de dochter te vertellen. Ze had zijn zegen om de boel te ontmantelen en haar intrek te nemen.

Waar iedereen zich dus binnen de kortste keren herpakte, bleef ik dat deerniswekkende geval. Thuis vond ik geen weerklank, maar ook in de wijde wereld viel de steun vies tegen. Zelfs mijn eigen soort, De Moeders, leken hun schouders op te halen. Alsof het niet feministisch is om te rouwen om een leeg nest. We zijn tenslotte meer dan moeder. We hebben ons eigen leven, onze eigen identiteit, die laten we toch niet afhangen van onze kinderen?

Al die jaren had ik fulltime gewerkt, mijn schouders onder een beetje leuk sociaal leven gezet, her en der wat aan persoonlijke ontwikkeling gedaan; me dunkt dat ik meer was dan een moeder. Ik had geen vervangende hobby nodig, het was niet dat ik ineens gek werd van verveling of eenzaamheid. Maar het zorgen voor de kinderen was, naast grootverbruiker van mijn energie, wel hetgeen geweest waar ik de meeste eer in had gelegd. Dat had ik écht heel goed willen doen.

Opeens zag ik mijn leven als een tijdbalk waarop de periode dat de kinderen bij je in huis wonen, slechts een piepklein blokje beslaat. Die eerste jaren binnen dat blokje heb je geen idee van de tijdelijkheid. Dan ben je blij dat je als jongleur met de kunst van de vijf schoteltjes de dag weer hebt gehaald. Dan vraag je je soms wanhopig af of er ooit een fase aanbreekt waarin je weer eens met een boek op de bank kunt liggen, of fatsoenlijk kunt uitslapen als je met vriendinnen de hort op bent geweest. Anders dan Anna Enquist had ik juist die laatste jaren zoveel meer genoten dan in die eerste periode, toen ze nog zo klein waren. Ik vond die betere gesprekken met het oudere kind heerlijk, maar het was ook dat ik die eerste jaren – juist als fulltime werkende moeder – vaak onzeker was over mijn rol. Eindelijk durfde ik aan mezelf toe te geven dat ik een goeie relatie had met mijn kinderen en dus vast iets goed had gedaan. Zat ik er net lekker in, had ik de finish alweer bereikt.

Was ik nou zo’n sentimentele sukkel of deden die andere vrouwen stiekem stoerder dan ze zich voelden? Mijn vermoeden was dat last hebben van het legenestsyndroom net zo weinig sexy was als klagen over de overgang. Als aantrekkelijke, zelfstandige, moderne vrouw niet iets om mee geassocieerd te worden. Dat vond ik zelf eigenlijk ook, als ik die stoffige beschrijvingen op internet las, waar inderdaad ook steevast die vermaledijde overgang werd bijgehaald. Dat ging niet over mij. Ik besloot het hogerop te zoeken en klopte aan bij Bertje Leuw, een door de wol geverfde therapeut met verstand van zaken en kennis van ons gezin. Ze stond op het punt om met pensioen te gaan maar ik had geluk, vlak voor sluitingstijd mocht ik nog een paar sessies bij haar komen snotteren.

‘Het legenestsyndroom is géén psychische stoornis of klinische diagnose. Het begrip syndroom is wat dat betreft verwarrend’, vertelde Leuw om te beginnen. ‘Het is dus niet zozeer een ‘ziekte’ als wel levensfaseproblematiek; een fase waarbij sprake kan zijn van een diep gevoel van verlies. Wat mij betreft zijn de emoties die bij die fase aan de orde kunnen komen een normale reactie op een ingrijpende fase in het leven. Zo’n diep gevoel van verlies kan wel leiden tot een depressie, een reactieve depressie, of tot een identiteitscrisis. Een en ander is vaak afhankelijk van de draagkracht-draaglastbalans, eerdere verlieservaringen, aanlegfactoren of omgevingsfactoren. En het is zeker vergelijkbaar met rouw. Niet zozeer rouw om verlies van een kind als wel om verlies van het intacte gezin. En bij rouw hoort natuurlijk verdriet.’

In een sessie of drie bij Bertje Leuw leerde ik een paar dingen inzien. Ten eerste moest ik van haar eerlijk tegen mezelf zijn; ik was een tikkie aan het romantiseren geslagen over die geweldige laatste jaren en had voor het gemak verdrongen hoe intensief ik sommige puberperikelen had gevonden. Ten tweede, daar kende ze ons gezin lang en goed genoeg voor, mocht ik erop vertrouwen dat onze basis van beton was; onze kinderen zouden elkaar en ons ouders altijd blijven opzoeken. Die liefde zou nooit overgaan. Tot slot moest ik accepteren dat ‘de momenten van samenzijn schaars worden’, zei Leuw. ‘Je zal ze gaan koesteren als iets dierbaars.’

De zomervakantie was zo’n schaars familiemoment waar ik die hele winter naar had gehunkerd. Met z’n vieren zaten we al een week op onze lievelingsplek in Spanje toen de oudste voor het staartje invloog, direct vanuit het adres waar hij met vrienden op vakantie was geweest. Met bloeddoorlopen ogen, haar waarin je een ei kon bakken en een gescheurd plastic tasje waar nog net een zwembroek in was gepropt, haalde ik hem van het vliegveld, als was het een scène uit Hello Goodbye. Een week lang borrelden we bij het zwembad, speelden we 30 Seconds, kookten we samen en voerden we lange gesprekken aan tafel. Alles als vanouds. Maar toen we op de laatste dag het idee opperden om alvast het huis voor volgend jaar te reserveren, was de reactie lauwtjes. Ja zeg, zo ver kan er niet vooruitgekeken worden.

In de film Boyhood zit een prachtige scène die het ongemak van een leeg nest schrijnend duidelijk maakt. In deze film van regisseur Richard Linklater volg je twaalf jaar lang het gescheiden stel Mason en Olivia en hun dochter en zoon. Als aan het einde van de film zoon Mason jr. zijn spullen pakt om als laatste het ouderlijk huis te verlaten (hij gaat studeren), krijgt Olivia, meesterlijk gespeeld door Patricia Arquette, een inzinking. ‘This is the worst day of my life’, verzucht ze. Het vertrek van haar laatste kind confronteert haar met het besef dat haar leven langs een aantal hoogte- en dieptepunten voorbij is geraasd. Wat hierna nog? ‘My funeral?’, jammert ze dramatisch.

Toen ik Boyhood in 2014 in de bioscoop zag, lag het lege nest mijlenver van me vandaan en leek Olivia me behalve een tikkie egoïstisch ook een tikkie hysterisch. Maar wat me destijds al raakte, was het bitterzoete contrast tussen de loop van de levenslijnen van moeder en zoon. De 18-jarige trekt vol levenslust, geprikkeld door de spanning van het onbekende, de wijde wereld in als hij in zijn oude pick-up door de woestijn richting hogeschool rijdt. Hij heeft alles nog voor zich, zijn leven begint pas. Terwijl zijn moeder alleen achterblijft met de angst dat het beste misschien wel in het verleden ligt. Dat is waar het legenestsyndroom ook over gaat natuurlijk: geconfronteerd worden met de eindigheid van de dingen. Olivia die haar arme zoon bijna beschuldigend voor de voeten werpt dat de dag van zijn vertrek the worst day of her life was, werd een horrorbeeld voor me en godzijdank heb ik zelfs in het ergste missen nooit dat gevoel van ontreddering gekend. Wel heb ik de laatste anderhalf jaar vaak gedacht aan deze film die gaat over de ongrijpbaarheid van de tijd en vergankelijkheid.

‘Moeder blijf je altijd, maar dat gezin, dat houdt op te bestaan als de kinderen uit huis gaan’, zei Leuw. Zo’n zin die je nooit meer vergeet. Hij dreunt nog weleens na. Maar ik weet dat ze gelijk heeft. En ik weet ook dat ze gelijk had toen ze zei dat ik met het loslaten van de oudste voorwerk doe voor straks. Dat ik getraind zal zijn, als de tweede – die nu een tussenjaar heeft – komende zomer gaat en over paar jaar ook onze jongste dochter. Als Bertje Leuw na die paar afspraken echt met pensioen gaat, hoeft ze me niet door te sturen naar een collega, ik kan het zelf. Ik neem geen hobby, wel een hondje, dat ik verzuim goed op te voeden, dat hoef ik niet meer van mezelf. Iets leuks, iets liefs, iets vrolijks toevoegen naast het loslaten, dat helpt ook.

We zijn inmiddels een dik jaar verder. Als we die avond zonder kastje in de auto terugrijden en nog wat nalachen over dat ranzige huis, besef ik dat ik door ben naar het volgende honk. Het holle, lege gevoel dat ik de vorige keren had als ik hem opzocht, is verdwenen.

In onze keuken hangt al jaren een banier, gekocht in zo’n spirituele souvenirwinkel tijdens een reis door Indonesië. Daarop staat The greatest gift you can give your children are the roots of responsibility and the wings of independence. Het gold jaren als mantra voor ons zonder dat ik besefte welke consequenties er óók aan vast zaten. Het mooiste wat je hebt weggeven is niet altijd het makkelijkste.